De voornaam Manon

Voornaam : Manon
Oorsprong en betekenis (1) : Frans - afgeleid van Maria (Bitter, bedroefd/Ster van de zee).

 

Wij vonden onze inspiratie echter in het personage Manon in de film "Manon des sources" tweede luik binnen de films gemaakt naar de roman "Jean De Florette" van Marcel Pagnol. Een aanrader...

Regie: Claude Berri
Scenario: Claude Berri, Gérard Brach
Met: Yves Montand, Daniel Auteuil, Emmanuelle Béart, Hippolyte Girardot e.a.
113 min. / F / Alle leeftijden / 1986


Het is tien jaar later en de dorpelingen die we voor het eerst tegenkwamen in Claude Berri’s ‘Jean de Florette’, keren terug met een extra laag make-up op hun gezicht om de tussenliggende jaren te suggereren, maar met nog steeds dezelfde mentaliteit: ons kent ons. Mensen van buiten het dorp kunnen we niet gebruiken. Voor veel mensen is ‘Manon des Sources’ de betere film van de twee – hoewel ik nog altijd de voorkeur geef aan de gedachte dat dit in feite één lange prent is die in twee delen werd uitgebracht. Misschien heeft die voorkeur voor dit sluitstuk iets te maken met het gevoel van gerechtigheid dat van de verhaallijn uitstraalt – ‘Jean de Florette’ eindigde met de dood van de held en de triomf van de schurken. In dit tweede deel van Marcel Pagnols verhaal over boerenintriges in de Provence, krijgen de boosdoeners eindelijk hun verdiende loon.

Tien jaar na de dood van Jean, gaan de zaken goed voor Ugolin en zijn oom César ‘Papet’ Soubeyrans. De bron die ze voor Jean verstopt hadden, zorgt nu voor een bloeiende anjerkweek – we zien Ugolin met blinkende oogjes z’n goudstukken in een potje wegbergen. De andere dorpsbewoners weten wat er gebeurd is, of ze hebben in ieder geval sterke vermoedens, maar haast niemand durft er iets van te zeggen. Wanneer één van hen betekenisvol aan Ugolin vraagt of hij veel anjers verkoopt met allerzielen, antwoordt deze: ‘Jaja... De doden brengen goed op.’

Manon, de dochter van Jean, is ondertussen opgegroeid tot een tiener met het uiterlijk van Emmanuelle Béart, die op het land van haar vader is blijven wonen en werkt als geitenhoedster. Ugolin, die steeds meer door z’n oom onder druk wordt gezet om voor een nageslacht te zorgen, laat een oogje op haar vallen en besluit om zich in z’n beste pak te steken en haar ten huwelijk te vragen.

Ondertussen echter, heeft Manon een gesprek gehoord tussen twee andere dorpelingen, waarin ze de kwestie van de bron bespreken – voor het eerst komt ze te weten wie er echt verantwoordelijk was voor de dood van haar vader. Uit wraak besluit ze hen een koekje van eigen deeg te geven – ze sluit de bron af die het dorp van water voorziet.

Opvallend is dat, waar Ugolin en vooral Soubeyrans zelf in de eerste film werden voorgesteld als archislechte boosdoeners die enkel op hun eigen gewin uitwaren, er in ‘Manon des Sources’ een zekere nuancering wordt toegevoegd. Ugolin (nog steeds een uitstekende Daniel Auteuil), was in ‘Jean de Florette’ al enigszins dubieus in z’n gevoelens voor z’n buren – hij kon die bochel uit de stad best wel lijden, maar z’n eigen hebzucht en vooral het gemanipuleerd van z’n oom dwongen hem om Jean toch de vernieling in te helpen. Hier, in het tweede deel, wordt de tragiek van zijn personage nog dikker in de verf gezet – bovenal is Ugolin een enorm eenzame man, die – u gelooft het nooit – eigenlijk alleen maar graag gezien wil worden. Ook Soubeyrans zelf krijgt hier voor het eerst een extra dimensie. Hij handelt ditmaal ook eens een keer uit overwegingen die niet uitsluitend zelfzuchtig zijn – bepaalde onthullingen naar het einde van de film geven zijn personage zelfs een soort van onuitsprekelijke tristesse mee. Die extra laag, die genuanceerdheid, werkt duidelijk in het voordeel van ‘Manon des Sources’ – veel meer dan Manon hen ooit zou kunnen afstraffen door hun water af te pakken, straffen Ugolin en Soubeyrans zichzelf met hun plotse spijt over het verleden. Het idee schijnt te zijn dat misdaad wel degelijk loont. Maar dan mag je wel nooit terugkijken, nooit een tweede keer nadenken over wat je hebt gedaan.

Een gevoel van nostalgie overheerst ‘Manon des Sources’ – personages keren terug naar het verleden en trekken hun conclusies, en ook de film zelf vertoont regelmatig echo’s van wat we hebben gezien in ‘Jean de Florette’. Natuurlijk krijgen we in de eerste plaats een plotwending rond een waterbron die bewust wordt afgesloten en de mensen die ervan afhankelijk zijn, in wanhoop achterlaat. De meest memorabele scène in ‘Jean de Florette’ betrof Gérard Depardieu die wanhopig z’n veld opliep en naar de hemel schreeuwde: ‘Weet U wel dat ik gebocheld ben? Denkt U soms dat dat gemakkelijk is? Laat het dan regenen!’ Ditmaal zien we Ugolin bidden om de bron opnieuw te doen lopen – hij is het schijnbaar niet gewend om ergens voor te bidden en sluit dan ook af met de onsterfelijke zin: ‘Alors, amen, nom de Dieu!’ Maar ook andere thema’s uit de eerste film komen terug, in een andere vorm en met andere nadrukken.

Neem bijvoorbeeld de clash tussen de stad en het plattelandsleven. In ‘Jean de Florette’ werd Jean vierkant uitgelachen met z’n moderne technieken. Ditmaal komt een vertegenwoordiger van de overheid een aantal oplossingen suggereren voor het watertekort, en die grootsteedse, technologische ideeën kunnen niet snel genoeg geaccepteerd worden. ‘Ik bied zo honderd franc aan voor de vooruitgang,’ roept Ugolin zelf. Nu willen ze wel.

‘Manon des Sources’ ziet er nog altijd even zinderend mooi uit als z’n voorganger en de acteurs staan nog altijd even doorleefd te acteren. Inhoudelijke draden worden netjes aan elkaar geknoopt en op die manier krijgen we een meer dan passend einde aan het verhaal. Maar met al dat was er toch iets dat – voor mij althans – in de weg stond van de film. Zo krijgen we op het einde een lange monoloog van een personage dat we nooit eerder hebben gezien, en die even de hele achterliggende plot komt uitleggen. Niet alleen valt de film voor bijna tien minuten lang dood neer tijdens die scène (we zien enkel twee mensen op een bankje zitten en de plot expliqueren), maar ook komt zo’n verhaaltechniek behoorlijk geforceerd over. Het verhaal is bijna ten einde, er zijn nog een aantal dingen die de kijker/lezer dient te weten, dus hoe lossen we dat op? We introduceren gewoon in extremis nog een personage dat het ons simpelweg allemaal van a tot z uitlegt. Ik kan mij inbeelden dat dat een probleem is dat al bestond in de roman, maar met een paar creatieve scenario-ingrepen had Berri dit ongetwijfeld kunnen vermijden. Ook miste ik de energie die Depardieu naar de eerste film bracht – ‘Manon des Sources’ lijkt meer te kabbelen dan z’n voorganger, aan een rustig tempo. In essentie deed ‘Jean de Florette’ dat ook, het tempo van het scenario lag net even laag, maar Depardieu bracht er zoveel levenslust naartoe dat die film voorbij leek te vliegen.

Niettemin blijven beide films pal overeind staan als schoolvoorbeelden van wat goeie cinema kan zijn. Nu nog proberen om dat harmonicadeuntje uit m’n kop te krijgen...